Onder "verhalen" staat alleen nog maar een probeersel waarop ik het redigeren van de website oefen.

Wat raakt ons in kunst?

Voor ik ga schrijven zet ik de radio aan, als een vangnet voor mijn afdwalende gedachten. Ik val midden in de zaterdagmatinee. De muziek die uit de speakers komt ontroert me niet in het minst. Als ik zo zou kunnen componeren zou ik het beslist laten, denk ik weer eens. Toch moet het volgens alle conventies kunst zijn, anders draaiden ze het niet op dit uur op radio vier. Straks, bij de afkondiging zal misschien blijken dat ik me moet schamen omdat ik algemeen erkend meester niet heb gewaardeerd. De gedachte daaraan maakt dat ik bij nauwkeurig verder luisteren vind dat er toch wel wat in zit. Het lijkt wat op Bartók. Janáček zou ook kunnen, het heeft in ieder geval iets Oost-Europees. En dan schaam ik me voor de snob die ik kennelijk ben. Als het een bekende componist is moet ik het kennelijk wél mooi vinden van mezelf. Applaus. Het blijkt “De Hemel” te zijn van Peter Schat, een onontkoombaar meesterwerk volgens de omroeper. Zie hier een klein experiment dat ons probleem: “Wat raakt ons in de kunst?” aardig illustreert.
“Ontroeren” gebruik ik trouwens liever dan raken. Ofschoon de woorden bijna hetzelfde betekenen is “raken” me wat te vrijblijvend. Iets kan me raken zonder me te ontroeren maar het omgekeerde kan ik me niet voorstellen. Sommige moderne beeldende kunst raakt me omdat ik me in de maling genomen voel – daarom ontroert-ie me dan juist niet. Het liefst zou ik kunst definiëren als overdraagbaar gemaakte ontroering. Zoals wetenschap overdraagbaar gemaakte ervaring is. (Een definitie die trouwens heel wat wetenschapsfilosofie overbodig maakt).

Je moet het natuurlijk niet omdraaien: Lang niet alles wat ontroert is kunst. En daar bovenop: Als iets me niet ontroert is het dan geen kunst, ook als het wel zo bedoeld is? Natuurlijk niet, anders zou de muziek van Schat geen kunst zijn – en zo ver gaat mijn eigendunk nu ook weer niet. Zouden we kunst misschien moeten definiëren als “bonafide pogingen om ontroering overdraagbaar te maken”? Of het lukt of niet. Als we dat doen is het volgende probleem dat er veel meer mensen ontroerd worden door kitsch dan door kunst. De smartlap en het jongetje met de traan, de keukenmeidenroman en de pornostrip scoren hoog op dat punt. Moeten we nu aannemen dat geen bonafide pogingen zijn of moeten we kunst definiëren als bonafide pogingen om snobs te ontroeren?
Ik kom hier niet veel verder dan een circulaire definitie: Kunst is wat een zeker percentage van de kunstminnaars ontroert. Kunstminnaars zijn mensen die kunstwerken kunnen waarderen, zij het niet noodzakelijk alle werken.

En dan: Welke ontroering? We sluiten even de kunstminnaars uit die worden ontroerd door de prijs, door geldende modes of door achterliggende ideologie. In de dertiger jaren moeten veel Duitsers graag naar Wagner hebben geluisterd om niet geheel muzikale redenen.
Om welke ontroering gaat het in de kunst? Misschien moeten we ons eerst afvragen: Wat ontroert ons überhaupt? Ik zie twee soorten ontroering: die voortkomen uit zintuigelijke gewaarwordingen, nachtegalen en zonsondergangen en zo, maar ook prettige partners en lekkere diners. In de tweede plaats die voortkomen uit relaties met je medemensen (en de kat): Liefde, rouw, trots, verdriet enz. enz. Streng gescheiden zijn die categorieën beslist niet: het is nog leuker als je op je prettige partner ook verliefd bent en ook op een slecht diner kan een ontroerend intieme sfeer hangen. Toch wil ik het onderscheid even handhaven omdat het weerspiegeld wordt in de kunsten. Muziek en de beeldende kunsten ontroeren ons primair via de zintuigen. Wat ruiken en proeven betreft: Als oud kampioen-kok ben ik er sterk voor om de kookkunst inderdaad onder de kunsten te rekenen, en in het kielzog daarvan ook de parfumeur kunstenaar te noemen. Consequent doorgeredeneerd zou ik ook geniale masseur(-euse)s en hetaeren tot de kunstenaars moeten rekenen omdat ze de tastzin bespelen – waarom ook niet. Dan komt de muziek die het van het oor moet hebben en de beeldende kunst en het ballet –sommige films ook – die het oog strelen.
Het is interessant om te zien hoe de classificering van de kunsten samenhangt met de mate waarin we “dissonante” zintuigelijke gewaarwording kunnen verdragen. Onaangename aanraking, pijn, verdraag je geen seconde. Stank en vieze smaken geven ook een onmiddelijke reactie. Lawaai en rotmuziek, daar wil je binnen de minuut van af maar een lelijk schilderij of interieur kun je best langere tijd verdragen. Hoe directer een prikkel binnenkomt hoe minder je geneigd bent om hem als kunst te waarderen. Waarschijnlijk omdat “dissonanten” het zout in de pap van de kunst zijn
In tegestelling tot de kunsten die een zintuigelijke gewaarwording bespelen slepen de roman en het toneel en de meeste films ons de menselijke verhoudingen binnen. Als die ons ontroert komt dat omdat we meeleven.
Natuurlijk zijn er weer mengvormen. In de instrumentale muziek niet zo zeer maar het lied begint al opera te worden en opera is toneel. Beeldende kunst kan ontroeren omdat het zo mooi geschilderd of zo goed gefotografeerd is maar ook omdat we ons in de afgebeelde figuren herkennen. Toch houdt ik maar even vast aan die tweedeling: Wat ontroert ons in de kunst: Dat wat de zinnen streelt en/of dat wat ons gevoel doet resoneren.
Maar ja, dat geldt eigenlijk nog meer voor kitsch dan voor kunst, om van de werkelijkheid maar te zwijgen. Misschien is juist op het stuk van ontroering de grens tussen kitsch en kunst moeilijk te trekken. En het leven lijkt vaker op een slechte roman dan een slechte roman op het leven.
We kunnen trouwens ook nog op een derde manier ontroerd worden door de kunst: nl. door het vakmanschap. De jurk van het joodse bruidje, het geniale Nederlands waarmee Reve behoorlijk banale scenes toch tot kunst maakt, de taalbeheersing van Vroman. De kunde van alle uitvoerende kunstenaars – waar we het nog helemaal niet over gehad hebben.
Wat ontroert me in kunst? – Hetzelfde wat me in de werkelijkheid ontroert. Wat is kunst dan? Voorlopig kom ik niet verder dan de circulaire definitie van hierboven.

Ja, er is veel dat ons raakt maar lang niet alles wat ons raakt is kunst. De effecten van kunst noem jij ontroeren en aan het denken zetten. Maar er zijn tal van dingen die me ontroeren en aan het denken zetten en die geen kunst zijn. Er schijnt op “You Tube” een onthoofding te zien te zijn. Dat zet me aan het denken. In de eerste plaats omdat ik beredeneer waarom ik er beslist niet naar ga kijken. Als ik dat wel deed zou het zich lang en diep in mijn hoofd nestelen. Ik zou niet ophouden er aan te denken en de daarmee gepaard gaande ontroering wens ik te vermijden. Toch is de beul geen kunstenaar – al trekt hij al eeuwen veel publiek.
De beul is geen kunstenaar omdat hij zijn werk niet doet met de primaire bedoeling om zijn eigen ontroering op het publiek over te dragen. Die overdracht (niet op z’n Freuds te verstaan) is het wezen van een arte-fact, iets dat kunstig gemaakt is, precies met de bedoeling te ontroeren, te raken. De vraag is dus niet zo zeer “wat raakt ons in kunst” maar wel “wat raakt ons in kunst”.
Mijns inziens is wat ons raakt in kunst het contact met de kunstenaar die een bonafide poging doet om zijn ontroering over te brengen en daar nog in slaagt ook. Je merkt zeer terecht op dat de vraag of dat lukt afhangt van omstandigheden die niets te maken hebben met de essentie van de kunst. Ik ben ooit in slaap gevallen bij een concert van Oistrach! Daarom zou ik, tussen haakjes, ook nooit criticus willen zijn. Ik zou veel te bang zijn dat mijn slaperigheid of maagzuur de kunstenaar onrecht zou doen. En ja, wil de overdracht lukken dan is, zoals je opmerkt, een zekere resonantie met de kunstenaar essentieel. De schilderijen van je familie ondergaan we toch ook net iets anders dan die van willekeurige anderen. Ik lees in de gedichten van mijn vriend en collega Vroman iets anders dan de neerlandicus die niets van ons onderzoek weet.
Door de nadruk te leggen op die overdracht wordt het subjectieve gevoel dat je krijgt bij kunst een objectief criterium bij het afgrenzen van kunst binnen de oneindige veelheid van dingen die ons vermogen te ontroeren.
Het begint te lijken op de “vorm of vent” discussie van Bloem en Ter Braak maar dat is het niet. Het is een kwestie van vorm en vent. Kunst wordt beslist geen kunst omdat het door een sympathieke vent gemaakt is of, nog erger, door iemand met een prijzenswaardige ideologie. Maar de vent moet door de vorm heen tegen ons spreken willen we door kunst geraakt worden.
Wát ons roert in kunst is hetzelfde als wat ons roert buiten de kunst. Óf kunst ons roert hangt af van de ontvanger, van de zender en van het signaal. In de eerste plaats van de ontvanger, van onszelf dus. Als ik te moe ben vermogen Oistrach en Mozart niets. Als we niet kritisch genoeg zijn vervaagt de grens tussen kunst en kitsch. In de tweede plaats van de zender. Er moet een eerlijke persoonlijkheid zijn met een boodschap – de vent. Achter kitsch staat een fabrieksproces. Achter vervalsingen “in de stijl van” (van Meegeren) staat geen bonafide persoonlijkheid. Idiologische kunst (communistische, nationaal socialistische) staat op zeer gespannen voet met eerlijkheid van de zender maar het kan soms wel (Gorki, Sjostakovitsch, Riefenstahl). In de derde plaats het signaal. Dat moet tussen zender en ontvanger zijn afgestemd – dat afstemmen is het leren luisteren, leren kijken, leren waarderen. Soms gaat het spontaan, soms lukt dat met enige moeite. Als de persoonlijkheid van zender en ontvanger te zeer verschillen lukt het nooit. Wagner noch Chagall kunnen mij ontroeren, hoe lang ik ook al mijn best doe. Behalve de juiste golflengte moet het signaal ook de juiste kwaliteit en sterkte hebben. Na zijn ongeluk hoorde Ravel de muziek nog wel in zijn hoofd maar hij kon hem niet meer opschrijven, kon hem niet meer zenden. Wie weet hoeveel meesterwerken ons nooit bereikt hebben omdat het signaal domweg niet is uitgezonden. A conferacy of dunces (John Kenedy Toole) zou ik nooit hebben kunnen lezen als zijn moeder niet tot elf jaar na zijn dood elf jaar had gevochten om het te laten uitgeven.
We mogen ook eisen stellen aan de kwaliteit van het signaal – de vorm. Een vals spelende violist maakt het nooit. De oneindige discussies over “moderne” kunst – waar Beethoven al last van had en Rembrandt ook – betekenen meestal dat de ontvanger niet is afgestemd op de zender en de miscommunicatie wijt aan de kwaliteit van het signaal. Dan schuurt het, zoals jij zegt.
En tenslotte geldt, misschien voor iedere kunstliefhebber maar zeker voor mij het woord van Karel Appel: We rotzooien maar wat an. Echt scherp krijg ik toch niet in focus wat me raakt in kunst of niet.

 

 

 

Contact

Prof. H.C. Hemker

Office:
Oxfordlaan 70
6229 EV Maastricht
Tel: +31 43 38858952
Fax: +31 43 3670916